Esra Seval Dede reisde af naar het Palestijnse dorp Bil'In op de Westbank, grenzend aan Israël. Wekelijks wordt daar door Palestijnse en buitenlandse sympathisanten geprotesteerd tegen de Israëlische muur, die toegang tot Palestijnse landerijen en olijfboomgaarden ernstig verhinderd.

Het is twee uur in de middag. Een kleine menigte heeft zich verzameld onder de schaduw van de enkele bomen in het gebied bij Bil'ln in Palestina. Mannen en vrouwen, jong en oud, Palestijns en Frans. Het is vrijdagmiddag en het is tijd voor de wekelijkse protesten. De menigte begint zich langzaam in de hitte te bewegen. “Free, free Palestine”, wordt er gescandeerd, terwijl ze de muur naderen. Franse en Palestijnse vlaggen steken hoog in de lucht. Een Israelische man roept leuzen in het Hebreeuws. “Ik wil dat het bij ze aankomt”, zegt hij.

De menigte is elke vrijdag anders. Deze week is er een Franse delegatie, afkomstig uit het stadje Vendre, dichtbij Montpellier. Ze zijn voor een week naar Bil’In gekomen om een verbinding aan te gaan met de Palestijnse bewoners. De lokale fotograaf, Haitham Khatib, is al een keer op bezoek geweest in Vendre en heeft zijn foto’s vertoond. “Frankrijk was vroeger een goede steun voor de Palestijnen. Onze huidige regering heeft een andere mening, maar wij gaan ermee verder”, zegt een van de Franse bewoners. Sommigen zijn al jaren aanwezig bij deze protesten. Haitham Khatib documenteert ze bijna allemaal.

De menigte protesteert voor Bil’In, een stad die grenst aan de Israëlische Westoeverbarrière, een 10-meter hoge muur die grotendeels in 2015 is gebouwd. Bil’in is het symbool van het Palestijns verzet. De Israëlische muur heeft er namelijk voor gezorgd dat de bewoners gelimiteerd toegang hebben tot negentig procent van hun land en olijfboomgaarden. De protesten zijn niet alleen tegen de muur. In 1996 werd er aan de Palestijnse kant van de Groene Lijn, de geografische grens die in 1948 is getrokken, een Israelische nederzetting gebouwd. De grootste in de Westbank, genaamd Modi’in Illit. De nederzetting is door de VN-Veiligheidsraad als illegaal verklaard, omdat deze gesticht is op het land van vijf verschillende Palestijnse dorpjes, waaronder Bil’In. Ondanks de afkeuringen en een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof is de bouw verder gegaan.

“Het leger heeft al in drie maanden geen geweld gebruikt”, zegt Haitham. “Het is een nieuwe strategie. Nu wij de protesten beter documenteren, kunnen we aantonen wat het leger ons aandoet. Nu gebruiken ze geen geweld, maar doen ze wel aan intimidatie.” De jongeren beginnen met het gooien van stenen, terwijl de soldaat achter de muur foto’s maakt. “Het is een slimme tactiek”, vertelt Haitham verder. “Ze kunnen dan later de stad in komen om dat kind te arresteren. De jongeren in Bil’In zijn gefrustreerd. Ze hebben het idee dat het niets meer uitmaakt.”

Haitham wijst naar de lege traangasgranaten op de grond. “Sinds de bouw van de muur zijn er duizenden naar ons gegooid. Sommigen waren fataal. Een van mijn geliefde vrienden en voorvechters van Bil’In, Bassem Abu Rahma, is door een granaat tegen zijn borst aan zijn einde gekomen. Het was een type granaat die ze gelukkig niet meer gebruiken.”

Hoe klein het gezelschap ook is, de protesten op vrijdag gaan altijd door. In februari 2010, vijf jaar na de bouw van de extra hoge muur, verzamelden zich per week maar liefst 1000 deelnemers. Deze week zijn het er vijftig, maar niet zonder gevolgen. Later op de avond wordt een van de bewoners, Ashraf Aburahman, gearresteerd op verdenking van het gooien van stenen. Hij wacht op zijn rechtszaak in de politieke gevangenis.

De protesten blijven doorgaan en Haitham blijft ze documenteren.”Door te blijven fotograferen en te filmen, hou ik de soldaten in de gaten en zorg ik ervoor dat ze geen geweld gebruiken. Mijn camera is mijn enige verdediging in de vredevolle protesten.”