“Uiteindelijk kwam het water tot net boven de deur, tot de tweede tree van boven”, zegt Jaap Schoof. Zijn stem is een mix van ontroering vanwege deze diepe herinnering en Zeeuwse nuchterheid. We staan bij zijn ouderlijk huis in de polder van Ouwerkerk. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 was dit het decor van een grote overstroming: de watersnoodramp. De combinatie van stormvloed en springtij kostte in Nederland 1836 mensen het leven. Een gebeurtenis waar je niet direct mee geconfronteerd wordt wanneer je hier rondkijkt, maar de sporen van de ramp zijn wel degelijk zichtbaar in het landschap. Sporen die ik nu volg tijdens mijn fietstocht door Schouwen-Duiveland.

Op deze zonnige, koude dag fietst Jaap met mij mee. Tot 2011 was hij directeur van het grotendeels door vrijwilligers gerunde Watersnoodmuseum in Ouwerkerk. Belangrijker is misschien nog wel dat Jaap als negenjarig jongetje het water op zich af zag komen. “In de nacht van de watersnoodramp stond het water tot hier”, Jaap wijst een plaats aan op de oprit, op ongeveer 50 meter van het huis. “Maar niet in ons huis, want dat staat op een zandkreekrug, zoals wij een terp in Zeeland noemen.”  Tijdens het opkomende tij in het begin van de volgende middag stroomde het water wel naar binnen en moest het gezin vluchten.

“Hier stond het huisje van de knecht.” Jaap wijst naar de hoek van het stuk land dat het dichtste bij de dijk ligt. “Vanaf de zolder zagen mijn ouders het huisje van de knecht in de golven verdwijnen. Ze brachten ons naar de andere kant van de boerderij zodat we dat als kinderen niet hoefden te zien. Later bij de opruimwerkzaamheden heeft de knecht het lichaam van zijn eigen zoontje teruggevonden.”

Voor het Watersnoodmuseum verzamelt Jaap persoonlijke verhalen van mensen op film. “Het is voor velen herkenbaar om over de traptreden te praten. Mensen zien het water komen. Nog drie treden, nog een paar en dan staat het water op zolder. Zo ver is het bij ons gelukkig niet gekomen. Wij werden de volgende dag met een bootje van de buurman opgehaald.” Jaap zwaait met zijn arm in de verte. De boerderij van de buurman is vanaf hier een stipje. Later is het gezin door  Urker vissers in veiligheid gebracht.

“Die uitgestrektheid, daar kan niets tegenop”

Ook mijn eigen vader maakte de watersnoodramp mee, maar hij was net te jong om zich echt iets te herinneren. Als tweede generatie weet ik daarom eigenlijk te weinig over deze voor velen traumatische gebeurtenis. We fietsen door de uitgestrekte polders. Polders zoals ik ze ken uit mijn jeugd. Waar ik als kind vaak samen met mijn vader doorheen fietste en die mij een gevoel van vrijheid geven. Vandaag krijgt dit uitzicht voor mij nog een andere betekenis.

Jaap weet alles over dit Zeeuwse landschap. Elke polderweg kent hij, bij elk haventje heeft hij een verhaal. Onderweg komen we bekenden van hem tegen. We vergeten bijna waarom we aan het fietsen zijn, maar gelukkig herpakt Jaap zijn verhaal. “We zijn in de polder van Bruinisse. Die binnendijk daar, die is pas in de loop van zondagavond doorgebroken. Toen zakte het water bij ons plotseling 30 cm.” Zonder deze extra informatie zou dit voor mij niets meer of minder zijn dan een prachtig natuurgebied, waar de koeien rustig grazen en het fluitekruid zich weet te ontwikkelen.

Jaap is erg verknocht aan dit gebied: “Dit landschap zit in mijn genen. Die rust als ik hier rondloop en rondkijk vind ik heerlijk. Die uitgestrektheid, daar kan niets tegenop.” Ik ben het met hem eens. Ondanks dat ik sinds een aantal jaren mijn plek in de stad heb gevonden, zit dit Zeeuwse landschap toch ook nog in mijn genen.

Oranje dakpannen
“Zie je die oranje dakpannen? Dat zijn boerderijen die na de watersnoodramp gebouwd zijn. De oudere boerderijen hebben vaak zwarte of grijze dakpannen. Doordat zo’n 35 boeren een boerderij in de Noordoostpolder kregen, ontstond hier ruimte voor schaalvergroting buiten het dorp. Door de ramp maakte Zeeland eigenlijk een ontwikkelingssprong. Alles is weg en je begint opnieuw. Veel paarden waren verdronken en de boeren gingen over op tractoren. Normaal duurt zo’n omslag een aantal jaar, nu met de Marshallhulp ging het allemaal vrij snel.”

Langzamerhand krijg ik toch steeds meer te horen over de gevolgen van de ramp voor Jaap zelf. We zijn aangekomen in Nieuwerkerk. “Hier stond het huis waar mijn oma, oom en tante en mijn nichtje woonden. Het was gewoon dikke pech. De vloedgolven gingen rond het dorp, ze zaten op het dak en dat dak is weggespoeld.” Jaap zucht even. “Mijn oma en nichtje zijn nooit teruggevonden.”

“Het zit in het collectieve geheugen van de Zeeuwen”

Na de watersnoodramp waren veel huizen verwoest. In korte tijd zijn toen veel Scandinavische prefabwoningen neergezet. “Deze kwamen met name uit Noorwegen en waren eigenlijk bestemd voor de bevolking daar, omdat tijdens de Tweede Wereldoorlog alles platgebombardeerd was. Maar ze waren onvoldoende geïsoleerd voor hun strenge winters en de Noren wilden ze niet hebben. Wij wilden ze wel! Sommige type woningen hadden zelfs een douche, een luxe voor die tijd”, lacht Jaap.

In het dorp Nieuwerkerk, relatief één van de zwaarst getroffen dorpen, zijn veel van deze woningen nog te zien. “Alle huizen zijn vernoemd naar een woonplaats in bijvoorbeeld Zweden of Noorwegen en de huizen kregen ook een schilderij van die plaats mee,” legt Jaap uit. Ik lees wat namen op de huizen. Ze zeggen me weinig, totdat ik een huis zie dat ‘Oslo’ heet. Met hun houten planken en puntige daken zien deze huizen er ook erg on-Nederlands uit. Het is een mooie herinnering aan de internationale solidariteit van na de ramp.

Het collectieve geheugen
Ik snuif de frisse wind op. We zijn bijna aan het einde van 31 kilometer door het vlakke Zeeuwse landschap. Jaap vraagt me of ik het graf van zijn oma in Nieuwerkerk wil zien. “Het is dus eigenlijk een leeg graf, maar het is wel mooi dat ze zo een plekje heeft gekregen.” Om me heen zie ik op alle stenen de overlijdensdatum 1 februari 1953 staan. Het komt nu pas bij me binnen hoeveel impact de watersnoodramp heeft. Het landschap is grotendeels hersteld, maar bij de eerste generatie overlevenden is de wond nog niet geheeld.

“Het zit in het collectieve geheugen van de Zeeuwen. Het is niet zo dat ik er erfelijk mee belast ben, maar ik heb het wel meegekregen.” Jaap gaat nog steeds door met het verzamelen van verhalen, want “zo lang er nog mensen leven, ben ik nog niet klaar”, zegt hij. De fysieke sporen zullen verdwijnen, maar de verhalen blijven bestaan en als tweedegeneratie wil ik deze verhalen kennen. Ik werp nog een laatste blik over de ondergaande zon die in de Oosterschelde zakt. Het is tijd om deze polder te verlaten en dit uitzicht zal vanaf nu extra herinneringen bij mij oproepen.


Ook deze route fietsen?

  • VVV Zeeland biedt twee routes: één van 32 kilometer en één van 61 kilometer. Beide routes zijn te koop bij de plaatselijke VVV in Zierikzee. In deze monumentale stad zijn ook een aantal fietsverhuurpunten.
  • Het Watersnoodmuseum zelf heeft ook een route en is te verkrijgen bij de museumwinkel.
  • Vanwege slechte bereikbaarheid met openbaar vervoer, is het aan te raden met de auto naar het eiland Schouwen-Duiveland te gaan.

Het Watersnoodmuseum ligt op de fietsroute, aan de Weg van de Buitenlandse Pers. Deze weg heeft haar naam te danken aan de internationale aandacht voor de ramp. Langs de weg staat een haag van populieren die gedoneerd zijn door journalisten uit verschillende landen. Het museum is gehuisvest in vier caissons (betonnen, holle constructies). Deze sloten het laatste gat in de dijk en vormen daardoor een symbolisch sluitstuk van de rampperiode. Het museum is door de veelheid aan informatie en foto’s haast een archief en ook de door Jaap verzamelde persoonlijke verhalen zijn hier te vinden.