Staande blijven

“’Zul je goed op je moeder en je zusje passen?’, dat vroeg mijn vader toen ik hem voor de laatste keer zag. Het was avond en we waren langs de weg gestopt. Mijn moeder, mijn zusje Elsje en ik zaten in een auto. Het was januari 1942 en we waren onderweg naar een kamp op Sumatra, waar we beter beschermd zouden zijn tegen de oprukkende Japanse troepen. Ik was 2,5 jaar oud, mijn herinnering is niet heel gedetailleerd. Maar ik weet nog wel dat ik op de voorbank zat en dat mijn vader mij omhelsde. En toen vroeg hij mij dat. Of ik goed op mijn moeder en zusje kon passen.”

“Ik ben geboren in Magelang, een stad op Midden-Java waar mijn vader KNIL officier was. Voordat de Japanners in 1942 binnenvielen werd hij in januari 1941 overgeplaatst naar Sumatra. Daar hebben we uiteindelijk drie en een half jaar in vijf verschillende kampen doorgebracht.

Het laatste kamp waar we zaten was het ergste. Dat was meer dan onmenselijk. Het was een vernietigingskamp. Het was daar gewoon de bedoeling dat iedereen dood zou gaan. Ik weet nog het moment dat de Japanners capituleerden. Hun vlag, die rode bal, werd neergehaald. Erom heen krijsten de vrouwen, ze waren hysterisch, ze zongen, ze dansten. In die chaos zocht ik mijn moeder. Ik vond haar aan de andere kant van het kamp. Ze zat op grond met haar knieën tegen zich aan en haar armen om haar benen geslagen. Ze schommelde heen en weer. Ze had net gehoord dat haar man, mijn vader, niet meer leefde.

Mijn moeder knuffelde ons nooit. Ik herinner mij slechts één keer dat ze met mijn zusje stoeide. Ze was toen zo mager, haar heupbotten staken zo uit, dat Elsje haar ‘koeienpoot’ noemde.

Mijn moeder kamde wel mijn haren, om de luizen eruit te krijgen. Mijn haar was vlammend rood. Als de zon erop scheen dan spatte dat ervan af. Dat moesten die Japanners altijd aanraken. Vreselijk vond ik dat. Mijn moeder zorgde voor ons natje en ons droogje. Meer was het niet. Ik haalde water en maakte vuur. Ik zorgde voor haar als ze terug kwam van dwangarbeid. En ik zorgde voor mijn kleine zusje. Eigenlijk was Elsje mijn eerste baby.

Na de bevrijding kwamen we terecht in Den Haag, bij mijn oma. Een dominante, afstandelijke en egocentrische vrouw. Ik sliep eerst onder de trap en daarna in mijn oma’s slaapkamer. Die winter van ’46-’47 was ijskoud. Ik heb toen een vuurtje gemaakt, op de houten vloer onder haar bed. Dat werd mij niet in dank afgenomen, ik kreeg een flink pak rammel.

Na de oorlog had mijn moeder al snel een nieuwe man. Een sterk, vrijgevochten figuur, die ook drie en een half jaar lang heeft moeten buigen. Drie en een half jaar slavenarbeid had verricht voor die ‘inferieure, kleine mannetjes met hun kromme poten’. Daar is hij nooit overheen gekomen. Hij was vreselijk agressief en gewelddadig.

Eén keer is mijn moeder voor ons opgekomen. Zij stonden in een en-suite kamer. Ik zag toen hoe hij haar door de halfgeopende schuifdeuren heen sloeg. Daarna zei ze ons, met priemende ogen en zwaaiend met een vinger, dat hij ons niks had misdaan en dat we alles verzonnen hadden. Dat was het. Ik heb mijn hele verdere jeugd met geweld te maken gehad en heb daardoor als volwassen vrouw altijd moeite gehad om vriendschappen op te bouwen. Daarvoor moet je kwetsbaar durven zijn. 

Mijn moeder was naar de buitenwereld toe zorgzaam, belangstellend en attent. Ze zag er mooi uit, ons huis was plezierig ingericht. Maar het was niet meer dan keeping up appearances. Ze dronk te veel. Ze rookte als een ketter. Zij vroeg mij altijd om raad, koos dan precies de tegengestelde oplossing en werd boos als dat verkeerd uitpakte. Ik verzorgde. Zij moest overleven. Ik mocht zelf nooit iets mankeren. Dat is eigenlijk altijd zo gebleven. Ik ben zelf nooit kind geweest, ik was altijd al een oud wijf.

Eén keer heeft ze iets van verantwoordelijkheid genomen. We waren aan de telefoon. In één adem heeft ze het eruit gegooid.
‘Já, je bent nooit kind geweest!
Já, ik heb jou opgeofferd aan mijn tweede huwelijk.
Já, aan jouw harde woorden heb ik wat gehad!’

Er vielen zoveel dingen op z’n plek toen ze dat zei. Maar die woorden heeft ze teruggenomen. Dat opofferen, dat had ze nooit gezegd. Vanaf dat moment was het klaar. Plichtmatig bezocht ik haar, anderhalf uur rijden heen en terug naar Den Bosch, om haar een half uurtje te zien. Zij is vorig jaar overleden. Ik heb geen traan gelaten toen zij stierf.

Ik voel nu opluchting. Ik slaap weer. Ik sta eindelijk los van dat gebruikt worden. Zij is zelf een slachtoffer gebleven. Ze heeft nooit de kracht gehad om een andere wending te geven aan wat er speelde. Wat die andere wending zou zijn geweest weet ik niet. Maar het enige wat ze heeft gedaan is zichzelf staande houden.  

‘Je bent een heel andere moeder dan ik dat ben geweest’, heeft ze mij ooit gezegd. Dat is waar. Ik ben optimistisch en veerkrachtig. Vorige week viel ik nog languit in de tuin. Ik had mijn knie bezeerd, maar ik stond zo weer op.

Aan mijn kinderen en kleinkinderen geef ik aandacht en respect mee. Ik weet dat ik meer zoals mijn vader ben. Vlak voor hij stierf heeft hij barricades gebouwd om Japanners tegen te houden. Met zijn manschappen heeft hij nog een bus vol soldaten beschoten. Kijk, dit zijn foto’s van mij met hem, toen ik een baby was. Ik was een achterlijk kind, ik was zo traag. Met negen maanden kon ik nog geen ‘vogeltje’ zeggen. Maar je ziet het aan hem, hij was zo baaie trots op mij.”

Thea Meulders is geboren in 1939 op Java. Zij woont in Nieuw-Vennep en heeft een dochter, een zoon en drie kleinkinderen.

 

FveV wordt mede mogelijk gemaakt door het Vfonds met middelen uit de BankGiro Loterij. Uw deelname aan deze loterij wordt daarom van harte aanbevolen.